HEKSenVUUR

heksenvuur

De heksenwaan, die heel Europa drie eeuwen lang teisterde begon omstreeks 1450 en duurde in sommige streken tot 1750. De vervolgingen kenden een eerste hoogtepunt in de periode 1480-1520, vooral onder invloed van de heksenbul van paus Innocentius VIII (1484) en de verspreiding ervan samen met de beruchte "Heksenhamer" van Sprenger en Institoris (1486).

Vanaf 1520 leek de heksenwaan stilaan uit te doven. Er waren weinig heksenprocessen, maar de kettervervolging woedde in alle hevigheid. Mogelijk is er een verband tussen beide: de inquisitierechtbanken hadden zoveel werk met de ketterprocessen, dat er geen tijd meer overbleef om zich met de heksen bezig te houden.

De eerste Laarnse heks

Toch werd een Laarnse "heks", een zekere Annekin van Laerne, die in Gent woonde, in 1527 veroordeeld, echter niet als "heks", maar als "misdadiger". Niet dat hij er veel beter van af kwam: "Den VI September 1527 was blent Annekin, van Laerne, ghewezen te biddene de scepenen up zijnen knie verghiffenesse, ende moeste daernaer commen totter weduwe Impins up een schavaut, daer hij gebonden stondt aan enen staek met zijn delicht (opschrift) an zijnen boeseme, ende wart gegheeselt totten bloede, ende daernaer gheleet in de gevanghenesse.
Den VII September was hem terzelverplaetse zijn haer afgheberrent ende met een gloyende ijsere, cruus wijs, was hij ghesluetely opzijn cake, ende daarna gebannen drij jaer in de stede te blijvenen en alle donderdaghe, een jaer lanck, te gane ter St.Jans Sacramentprocessie, met eene wassen keerse, omme dat hij verclaert hadde in de torture en de exame, dat hij diverse persoonen gherooft hadde met waersegghene, ende hadde zijn ziel overghegheven den viant, omme dat hij hem helpen saude waersegghen ." Een dergelijke bekentenis zou twintig jaar eerder of zestig jaar later zeker een veroordeling tot de brandstapel als gevolg gehad hebben.

"Blent Annekin" was waarschijnlijk een arme sukkelaar, die door zijn handicap met niet veel anders dan waarzeggen in zijn bestaan kon voorzien, want zeven jaar later werd hij voor dezelfde feiten veroordeeld, en kwam hij er niet zo "goedkoop" meer van af: "In dit scependom wart 't smaendachs Sacramentsdach (1534), een blendt man, geboren van Laerne, up tpellerijn ghestelt, up de Vischmarkt, ende zijn haer afgheberrent ende sekeren tijd daerna onthoofd up de Veerleplaetse, ende datte omme tooverie en waerseggherijnghen, daaromme hij tot ander stonden tweemael ghecorrigeert hadde geweest."

Ondanks de " tooverie" alleen maar "onthoofd"... In die tijd een normale straf voor misdadigers. Toch neemt Fernand Vanhemelryck in zijn boek "Het gevecht met de duivel" ons Annekin op in zijn lijst van terechtgestelde "heksen", met de vermelding: "onthoofd".

Heksenwaan onder Albrecht en Isabella (1599-1621)

Omstreeks 1580 veranderde de sfeer. Voordien werden de heksen (als trawanten van de duivel) vooral om religieuze redenen veroordeeld door de inquisitie. In 1532 kwam de Carolina tot stand, waarin Karel V het wereldlijk strafrecht uiteenzette. Daarin werd bepaald dat personen die toverij plegen mogen gearresteerd en gefolterd worden en degenen die door toverij schade berokkenen de doodstraf door het vuur verdienen. Keizer Karel durfde echter de Carolina niet afkondigen in de Nederlanden. Pas met de criminele ordinnantie van 1570, onder Filips II, die een eenvormige wetgeving in de Nederlanden beoogde, eiste het centrale gezag strenge straffen tegen "sortilèges, devins, enchanteurs, charmeurs" ("heksen, waarzeggers, tovenaars"). Hekserij werd steeds meer als een staatsondermijnend misdrijf gezien dat door wereldlijke rechtbanken behandeld werd. De kerkelijke rechtbanken hadden in die tijd (einde 16 e - begin 17 e eeuw) reeds veel van hun bevoegdheden verloren ten voordele van de wereldlijke rechtbanken. Omdat hekserij ook een staatsondermijnend karakter had, eisten deze eveneens bevoegdheid over dit misdrijf. Zij werden daarin gesteund door een reeks specifieke wetten die hen deze bevoegdheid uitdrukkelijk toekenden. Sommige vorsten waren echte heksenjagers. Niet de minste onder hen was onze Filips II.

In zijn ordinantie van 20 juli 1592 werd een inventaris opgemaakt van alle vormen van hekserij en werden de wereldlijke en kerkelijke overheden opgeroepen om al degenen die als waarzeggers, tovenaars of heksen bekend stonden, op te sporen en streng en onbarmhartig te bestraffen. Hun vergrijpen waren misdaden tegen God en vorst; de doodstraf was de enige strafmaat. Drie jaar later herhaalde Filips II zijn aansporing in een brief aan het hoogste gerechtshof in Vlaanderen, de Raad van Vlaanderen (die sedert 1498 in Gent zetelde).

Van 1599 tot 1621 waren de zeer katholieke aartshertogen Albrecht en Isabella belast met het bestuur van de Zuidelijke Nederlanden. Zij voerden de ordinanties van Filips II tot in de puntjes uit. Tijdens hun regering bereikten de heksenprocessen in de Zuidelijke Nederlanden een hoogtepunt. In dezelfde periode publiceerden een aantal zeer vooraanstaande geleerden hun demonologische werken, zoals de befaamde jurist Jean Bodin ( La démonomanie des sorciers, 1580) en de hoogst gewaardeerde jezuïet Martin del Rio ( Disquisitiones Magicarum, 1593 ). Dit laatste werk werd in verschillende Europese steden gedrukt en herdrukt tot diep in de 17de eeuw. In Leuven verschenen herdrukken in 1599, 1601 en 1624.

Men kan zeggen dat ten tijde van de Laarnse heksenprocessen de demonologie juridisch en theoretisch op punt stond. Bodin en del Rio werden ook aangehaald in de Laarnse processen.

Heksenwaan in de regio Dendermonde-Gent

Door de heksenwaan in Laarne toesloeg, had hij in de streek Gent-Dendermonde reeds flink huisgehouden. De vervolgingen startten na 1592, het jaar waarin Filips II de heksenjacht voor geopend verklaarde. Het eerste ophefmakende proces was dat van Elisabeth Vlamyncx uit Ninove die in 1595 te Gent werd terechtgesteld na een vonnis van de Raad van Vlaanderen. In Dendermonde stierven datzelfde jaar Jenne Sbleissers en Anna Scoocx op de brandstapel. Tussen 1598 en 1604 werden in Gent nog tien heksen terechtgesteld.

De Laarnse heksenjagers

niveau stond het leenhof, bestaande uit de schepenen en de leenmannen, die zich lieten bijstaan door een meier, een griffier en een cipier. De hoogste gerechtelijke autoriteiten op het lokale vlak waren de heer van Laarne en zijn baljuw.

De heer van Laarne, Jonkheer Charles van Zuylen, bezat de drie graden van rechtspraak: hoge, middelbare en lage justitie. Door de hoge justitie beschikte hij over de bevoegdheid om doodstraffen, lijfstraffen en zware boetes uit te spreken. Hij woonde bijna elk getuigenverhoor en elke ondervraging bij, wat voor een plaatselijke heer in die tijd vrij uitzonderlijk was. De baljuw, Jan Schepens, trad op als gerechtsofficier en openbaar aanklager.

Op 10 april 1606 kreeg de Raad van Vlaanderen van de aartshertogen de opdracht een aantal raadsheren of advocaten aan te duiden, die de lagere rechtbanken moesten raadplegen in geval van hekserij. Eerst werden zes en later tien advocaten, van wie sommigen vertrouwd waren met heksenprocessen, aangesteld als heksenmeesters. Die raadsheren werden door het Laarnse leenhof bij iedere belangrijke stap geraadpleegd en hun advies werd steeds opgevolgd.

Een niet onbelangrijke rol speelde ook de beul (eufemistisch de "scerprechtere" genoemd). Hij luisterde naar de naam Boudewyn Waelspeck en was sinds 1594 de stadsbeul van Gent. Hij ging echter ook op het platteland zijn lugubere taken vervullen: lichaamsonderzoeken, folteringen en de uitvoering van lijfstraffen en doodsvonnissen. Hij moest de beklaagden door tortuur tot bekentenissen doen overgaan.

De slachtoffers

Wat voor mensen waren de zes "heksen van Laarne"?

Janne Callens was afkomstig van Oostakker, waar haar ouders, Pieter Callens en Stevenynen de Beele, overleden en begraven waren. Ze werd geboren in 1546, want ten tijde van haar proces gaf zij de leeftijd van 61 jaar op. Janne huwde minstens tweemaal, een eerste keer met een van Hoisele, de tweede keer met Michiel de Coene, een smid in Laarne. Michiel de Coene was een vechtersbaas die regelmatig dronk. In 1587 liet hij haar zonder levensmiddelen en goederen in de steek, zodat zij moest bedelen om aan de kost te komen. Later had Janne een paar koeien en verwerkte ook vlas dat zij op de markt in Lokeren kocht en verkocht. Zij had onder meer een zwingelkot. Ze volgde in de streek verschillende bevallingen als vroedvrouw. Het echtpaar woonde op de Meerskant en had minstens twee kinderen, waaronder een zoon, Frans.

Passcheyne Neyts was de dochter van Pauwel Neyts. Ze werd geboren in 1556 en was ten tijde van haar proces dus 51 jaar oud. Ze woonde een tijdje in Zuiddorpe in Zeeuws- Vlaanderen en verhuisde omstreeks 1585 naar Laarne. Zij huwde met Pieter Tweecruys. Die kocht in 1591 de herberg de Roscam op de noordzijde van de Heirweg. Pieter Tweecruys was een onverbeterlijke dronkaard die Passcheyne nu en dan bont en blauw sloeg. Op een dag takelde hij haar zo erg toe dat zij voor de rest van haar leven haar rechterarm niet meer kon gebruiken. In 1605 nam hij dienst in het leger dat Oostende belegerde, en liet zijn vrouw achter met een nest kinderen en zonder bestaansmiddelen. Door oorlogsomstandigheden brandde Passcheyne's huis tweemaal volledig af. Het echtpaar had verschillende kinderen, o.a. een zoon en twee dochters. Een van hen, Vyntken, werkte als dienstmeisje bij Michiel Schepens en Janneke Scheers.

Josyne Celis was de dochter van Lieven Celis. Ze huwde Matheus De Wullemakere en woonde in het Mageret, ter hoogte van het huidige Klein Gent. Zij stond bekend als vroedvrouw. Zij verdiende ook wat geld bij door het spinnen van garen, maar beschikte over weinig geldmiddelen. Veel meer biografische gegevens zijn over haar niet bekend.

Willemyne Sveermans was de dochter van Ghisebrecht de Veerman en Lysbette Schattemans, landbouwers uit Laarne. Willemyne werd geboren in 1556, in 1607 had ze dus de leeftijd van 51 jaar. Zij was gehuwd met Jan Baert, eveneens landbouwer, die een knecht in dienst had en zes koeien bezat. Hierdoor werd het gezin als tamelijk welvarend beschouwd.Willemyne maakte nu en dan fel ruzie met de buren.

Lieven Lammens was de zoon uit het tweede huwelijk van Lysbette Schattemans met Jan Lammens, landbouwer te Laarne, beiden aldaar overleden en begraven. Hij werd geboren in 1566/1567. In 1607 was hij dus ongeveer 40 jaar. Willemyne Sveermans was zijn halfzuster. Hij was een tamelijk welstellende landbouwer, die kon schrijven en wat Latijn kende. Hij had in Laarne verschillende keren als "scepene in wette gheseten". Baljuw Jan Schepens beschreef hem als een robuust gebouwde man.

Josyne Luycx kwam uit een vooraanstaand gezin. Haar vader Jan Luyckx was koster van Laarne geweest. Haar moeder luisterde naar de naam van Elisabeth Nauts. Beiden werden te Laarne begraven. Josyne werd geboren omstreeks 1554, in 1607 was ze dus ongeveer 53 jaar. In 1595 aanvaardde ze het meterschap over een kind van de griffier van Laarne. Zij was ook actief als vroedvrouw. Haar man Adriaan De Schaepmeestere was een landbouwer die behoorlijk wat percelen beheerde en meerdere schapen had. Hij was in ieder geval welstellend genoeg om een procureur te betalen en borg te staan voor het betalen van de proceskosten.

De Laarnse heksenprocessen van 1607

Overmere, 16 augustus 1607: Maeyken van Cutsenroeye wordt in Overmere terechtgesteld door de vuurdood op de brandstapel.

Zoals gebruikelijk bij dergelijke gelegenheden worden prominenten uit naburige parochies uitgenodigd om de terechtstelling bij te wonen, en daarna op een etentje getrakteerd in de herberg. Ook Jan Schepens, baljuw van Laarne is er bij en verneemt daar belangrijk nieuws: Maeyken heeft tijdens haar ondervragingen ook Laarnse ‘tooveressen’ (het woord ‘heks’ bestond nog niet) verklikt.

Janne Callens, Passcheyne Neyts, Josine Celis aangehouden
De volgende dag begint in Laarne de heksenjacht. Drie vrouwen worden opgesloten in de kelders van het kasteel van Laarne: Janne Callens, Passcheyne Neyts en Josine Celis. Reeds dezelfde dag begint de baljuw de ondervragingen. Janne, Passcheyne en Josyne ontkennen alle aantijgingen. Zoals wettelijk voorgeschreven raadpleegt het hof van Laarne de gespecialiseerde raadsheren van de Raad van Vlaanderen in Gent. In hun advies zetten de heksenprocureurs nauwkeurig uiteen hoe het hof de drie processen verder moet afhandelen. Baljuw Schepens moet de verdachten afzonderlijk en schriftelijk meedelen welke feiten hij hen ten laste legt en die met getuigenissen bewijzen.

Janne Callens ontsnapt
Als de cipier op 22 augustus Janne komt halen voor ondervraging, blijkt zij uit haar cel ontsnapt te zijn. Het hof begint dan maar met het verhoren van de getuigen tegen Passcheyne en Josyne.

Bekentenissen Passcheyne en Josine
Het proces-verbaal van de getuigenverhoren wordt overgemaakt aan de Raad van Vlaanderen in Gent. Die beslissen dat het leenhof de vrouwen aan een lichaamsonderzoek op duivelsmerken mag onderwerpen en hen vervolgens onder tortuur kan ondervragen. Op 29 augustus begint het leenhof van Laarne met de uitvoering van deze adviezen. Zij doen hiervoor beroep op de Gentse stadsbeul Boudewijn Waelspeck, die beide vrouwen aan een lichaamsonderzoek op duivelsmerken onderwerpt. Bij Passcheyne Neyts vindt de beul vier duivelsmerken, bij Josyne Celis twee. Daarop besluit het hof over te gaan tot de door de Raad van Vlaanderen voorgestelde tortuur. Dit betekent dat ze ononderbroken wakker moeten blijven in de nabijheid van een hoog oplaaiend vuur. Om te beletten dat ze in slaap vallen wordt rond hun hals een halsband met aan de binnenkant scherpe pinnen geplaatst, die via strakgespannen koorden aan de zijwanden is vastgemaakt, zodat bij de minste beweging de pinnen in de hals dringen. In die houding moeten ze ononderbroken ondervraagd worden gedurende vijf dagen en nachten of tot ze bekennen. Na één nacht en één dag bekent Passcheyne Neyts alles waarvan het hof haar beschuldigt, Josyne Celis reeds na enkele uren. Bekentenissen afgelegd onder de pijnen van de tortuur hebben op zichzelf geen bewijskracht. Om rechtsgeldig te zijn moeten ze met een tussentijd van minstens 24 uur herhaald worden buiten de folterkamer. Bij herroepen van de bekentenissen vindt een nieuwe ondervraging onder tortuur plaats. Op 1 september bevestigen Passcheyne en Josyne buiten tortuur al hun verklaringen.

Lieven Lammens en Willemyne Sveermans aangehouden, Janne Callens opgepakt
De bekentenissen van Passcheyne en Josyne veroorzaken een sneeuwbaleffect: Lieven Lammens en zijn halfzuster Willemyne Sveermans worden nog dezelfde dag opgepakt en in de gevangenis van het kasteel van Laarne opgesloten Op 9 september wordt Janne Callens na een zwerftocht van drie weken te Assenede gevangen genomen. Ze was op de vlucht naar Nederland, waar geen heksen vervolgd worden. Ze wordt onmiddellijk teruggebracht naar haar cel in het slot van Laarne. Zij ontkent op naïeve wijze alle beschuldigingen: “Ik ging niet met de duivel om, het was de engel Gabriël die mij kwam troosten toen ik in de miserie zat. Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel hielp mij ontsnappen. Ze liet me lopen dwars door de muren van het slot en over het water van de wal, maar later spoorde zij mij aan om naar hier terug te keren om vergiffenis te vragen voor mijn zonden. Och mijne heren, ik bidde u om gratie. Laat mij vrij en los, ik zal alle dagen mijns levens goed doen en penitentie doen en kruipende op mijn knieën naar Scherpenheuvel pelgrimage doen.”

Passcheyne en Josine terechtgesteld
Op 11 september 1607 spreekt het leenhof van Laarne het doodsvonnis uit over Passcheyne Neyts en Josine Celis. Dezelfde dag worden beiden naar het Galgenveld gebracht waar zij door de beul van Gent worden verbrand.

Bekentenissen Willemyne en Janne
Op 13 september 1607, na drie dagen en nachten ondervraging onder tortuur, bekent Willemyne Sveermans alles waarvan ze beschuldigd wordt: dat haar duivel Simoen heet en haar twee jaar geleden voor de eerste keer verscheen toen zij op een morgen de koeien aan het melken was. Hij zei haar dat ze met haar hand over de koeien van de buren moest wrijven. Zij deed dat bij twee koeien en een vaars van Willem Mathijs, die onmiddellijk ziek werden en kort daarna stierven. De duivel nam haar tweemaal mee naar een heksensabat. Op die bijeenkomsten zag ze Passcheyne Neyts, Josyne Celis, Janne Callens en Josyne van de Kerckhove uit Kalken. Op 20 september 1607 wordt Janne Callens ondervraagd onder tortuur. Na twaalf uur foltering bekent ze alle beschuldigingen.

Josyne Luycx aangehouden, Janne en Willemyne terechtgesteld
Op 1 oktober 1607 wordt ook Josyne Luycx aangehouden: de andere heksen verklaarden dat ze ook aanwezig was op hun bijeenkomsten. Op 2 oktober 1607 veroordeelt het leenhof van Laarne Janne Callens en Willemyne Sveermans tot de vuurdood. Zij worden dezelfde dag terechtgesteld.

Lieven verbannen, Josyne vrij
De twee andere beschuldigden ontlopen de brandstapel. Lieven Lammens herroept tweemaal zijn bekentenissen die hij onder tortuur deed, en blijft tijdens een ultieme foltering op de pijnbank in het Gravensteen te Gent zijn onschuld staande houden. Hij wordt veroordeeld tot tien jaar verbanning uit Vlaanderen. De echtgenoot van Josyne Luycx liet haar verdedigen door een procureur. Zij ontliep zowel de tortuur als de brandstapel, en werd voorwaardelijk vrijgelaten.

Het vonnis van Passheyne Neyts

Hier volgt het vonnis van het leenhof van Laarne, op 11 september 1607 uitgesproken over Passcheyne Neyts. Om de leesbaarheid te verbeteren hebben we de spelling en enkele woorden en zinswendingen aangepast.

Om dieswille dat gij, Passcheyne Neyts, filia Pauwels, huisvrouw van Pieter Tweecruysen of zo gij anders genaamd zijt, u zoverre hebt vergeten als dat gij, verlatende God Almachtig uwen Heer en Schepper, en aanhangende den duivel van de helle, vijand van het menselijk geslacht, die hem u heeft geopenbaard over enige jaren in de gedaante van een kalf, zo gij te wege waart naar den huize van Michiel Schepens, om uw dochterke, aldaar dienende, te gaan bezoeken in hare ziekte, haar meedragende enige appelen en een pinte bier.

Als wanneer gij van den bozen vijand in de voorgenoemde gedaante aanvaard hebt ene appel, dewelke gij ten zijnen bevele hebt gestreken tegen uwen buik of voorschoot, en bij zijn beding hebt dien gepresenteerd aan Janneken Scheers, huisvrouwe van voorgenoemde Michel Schepens, dewelke daarvan gegeten hebbende, is kort daarna ziendelijk bedgegaan, en na grote ellende en miserie dezer wereld overleden, altijd klagende en te kennen gevende haar hetzelfde met de voorgenoemde appel gedaan geweest hebbende.

Zijt gij ook daarna, uwen man afwezig zijnde als soldaat in de bende van ordonantiën voor de stede van Oostende, en gij droevig zijnde en mistroostig ten opzichte van uwen last van kinderen en verlies van uw tijdelijke goederen, hebt gij denzelfden bozen vijand ziendelijk bij u laten komen in de voorgenoemde gedaante van een kalf, daar gij in uw bedde lag, hij hebbende een stem van een manspersoon, hij zeggende te zijn ‘Hans drinkt uit’.

En u vertroostende, belovende dat hij u wel er door helpen zoude en geen gebrek laten lijden, u latende tezelfdertijd van hem in de voorgenoemde gedaante vleselijk bekennen.

Dewelke u ook getekend heeft achter op uw rechter heup en elders. En hebt op zijn aandringen, verzakende God Almachtig uwen Schepper en Verlosser, de voorgenoemde boze u aangezworen en van hem ontvangen een zeker poederken in een groen doeksken, hetwelk gij daarna aan zeker uwe complice hebt overgeleverd.

Zo gij ook met uwen boele tot twee stonden geweest zijt bij nacht in de vergadering van de voorgenoemde boze geesten ontrent den hove van Willem de Moerloose en ontrent thof van Pieter Dierinck binnen Kalken, en aldaar nadat gij hommage had gedaan en offerande, al kruipende en kussende zijn achterste, hebt u alzo andermaal laten bekennen.

En bovendien hebt gij betoverd de persoon van Jacques Clauwaert, knape van de baljuw van deze parochie, met hem overeind te steken, door raad van de voorgenoemde, uwen boel, omdat hij, Jacques, in de avond gij en zeker ander vrouwpersoon in geschil zijnde, kwam om ulieden te scheiden. Hebbend hem ook te zijndert gegeven zekere boekweitkoek, hebbende daarop tevoren een poederken gestrooid, van welk aanraken of steken en eten van voorgenoemde boekweitkoek de voorgenoemden Jacques lange tijd heeft gequollen en miserabel ziek gelegen, hoewel gij zegt en volhoudt hem daarna met enen andere boekweitkoek en poederken te hebben genezen.

Zijnde bovendien gij over vele jaren berucht geweest van de voorgenoemde abominabele crim van toverij, zodat hetgeen voorschreven mannen en schepenen voor voldongen is gebleken, zowel bij uw eigen bekentenis in tortuur, en daarna in behoorlijke tijd geratificeerd en anderszins naar rechte omme genoegen, wezende al gruwelijke en abominabele sticken en feiten niet lijdelijk zonder passende straf, anderen ten voorbeeld, en niet zonder sterke verdenking van veel andere delicten onder druk van voorgenoemde boze zoals hiervoor gecommitteerd hebbende.

Daarom zo eisen de mannen en schepenen mijn heer jonker Charles de Zuylen, gezegd de Erpe, heer van Erpe, Laarne, Erondegem, Ottergem, Estomben enz; van zijn huis, hove en kasteel van Laarne voorgenoemd, gemaand zijnde van rechte en hierop alvorens gehad hebbende advies van geleerden gecommitteerd op het feit van toverij door mijne heren van de Raad van Vlaanderen op last van hunne hoogheden de Aartshertogen, onze geduchte heren en prinsen, recht doende U, Passcheyne Neyts, veroordelen om geëxecuteerd te worden met het vuur verbrand te worden aan een staak zo dat de dood er op volgt. Verklarende al uw goed, hetzij leen, erf of cateyl, waar hetzelfde ook gestaan of gelegen is, geconfisqueerd tot ’s herens profijt, de kosten van justiciën tevoren afgetrokken.

Actum dezen XI september 1607. Gepronuncheerd in gemaakten hove en vierschaar bij de kerk dezer parochie ter maninge van Jan Schepens, baljuw, en wijsdomme van Pieter van Hauweghem, Jacques Dhooge, Jan vanden Brande, hoofdmannen, en Cornelis Bracke, Paesschier van Damme, Jan Luevene, Jan Schepens Ooms, Frans Bracke, Pieter Schepere en Laurens van Damme, mannen en schepenen.

Mij te oorkonden als griffier ter ordonnantie van de voorgenoemde mannen en schepenen.
Appolonis Seghers, 1607.

Nabeschouwing

De heksenprocessen in Laarne bevatten alle elementen die typisch zijn voor de heksenwaan in Vlaanderen einde 16de en begin 17de eeuw. De aanzet in alle zes de gevallen is verklikking, speciaal de beschuldiging van aanwezigheid op heksenbijeenkomsten, door andere heksen onder tortuur afgelegd. Dat steeds dezelfde personen genoemd worden, wijst erop dat ze reeds eerder de naam hadden een heks te zijn.

Zijn penis was ijskoud
Hoe de heksen de duivel ontmoetten en hoe het er op de heksenbijeenkomsten aan toe ging, volgt het patroon dat in de demonologische boeken beschreven wordt, zelfs de illustraties in deze boeken blijken de kloppen met de bekentenissen van de Laarnse heksen. Ook de vreemde bewering dat de penis van de duivel ijskoud was, vinden we ook terug in bijna alle andere heksenprocessen. Het is duidelijk dat de verklaringen over hun contacten met de duivel eerder het gevolg zijn van de suggestieve vragen van de rechters dan van de fantasie van de heksen.
De aangeklaagde betoveringen zijn zeer klassiek: ziekte en dood van mannen, vrouwen of kinderen, ziekte en dood van paarden, koeien, varkens en kippen na een aanraking of zelfs een boze blik van een heks. De toverij werd afgeleid uit de slechte naam van de verdachte en de vaste overtuiging van de slachtoffers dat zij of hun dieren betoverd waren. Het onderscheid tussen gewone ziekte en betovering was heel subjectief. Voor allerlei onverklaarbare tegenslagen zochten de inwoners van Laarne zondebokken door bepaalde personen uit hun leefgemeenschap van toverij te beschuldigen. Dat gaf hen het gevoel dat ze er iets aan gedaan hadden.

De rol van de Heer van Laarne
De initiatieven voor de vervolgingen gingen alle uit van de baljuw, maar de drijvende kracht achter hem was waarschijnlijk de heer van Laarne. Charles van Zuylen was een overtuigd katholiek en royalist. Zijn zoon Jean werd page aan het hof van de aartshertogen, wat alleszins wijst op zeer goede relaties met dit hof, dat zich zeer sterk heeft ingezet om de ordinanties van Filips II over de heksenbestrijding uit te voeren.
Het leenhof van Laarne bestond uit mensen met weinig of geen juridische opleiding. Door de ordinnantie van 1606 waren ze verplicht, in geval van hekserij, advies te vragen aan de gespecialiseerde raadsheren van de Raad van Vlaanderen in Gent. Het leenhof heeft zich daar heel strikt aan gehouden. Het heeft bij iedere stap advies gevraagd, en dat advies ook strikt gevolgd.

De rol van de kerk
Niets wijst erop dat de geestelijkheid de heksenvervolgingen heeft aangewakkerd. Integendeel, Jan Schatteman, die op het moment van de heksenprocessen pastoor van Laarne was, is éénmaal tussen gekomen ten voordele van de beklaagde Josyne Luycx.
Van zijn voorganger Jacob Bertram, getuigde Janne Callens dat hij haar van "haer dolynghe ende boose ghewercken hadde bekeert". Hij was blijkbaar geen heksenjager, maar eerder een herder die een verloren schaap terug bij de kudde probeerde te brengen.

De verdediging
De heksenprocessen in Laarne volgden de normale procesgang in criminele zaken. Het leenhof koos voor de extra-ordinaire procesgang , dat wil zeggen dat de verdachten zich bij hun verdediging niet lieten bijstaan door een procureur. Dit gold voor Passcheyne Neyts, Josyne Celis, Janne Callens en Willemyne Sveermans, die alle vier tot de brandstapel veroordeeld werden.
Lieven Lammens deed in het begin wel beroep op een procureur maar zag er verder vanaf omwille van de kosten. Of dit hem veel baat bijbracht is niet duidelijk. Hij ontliep wel de brandstapel maar dat was vooral door de hardnekkigheid waarmee hij zijn onschuld staande hield, na en onder de tortuur.

Zwakke mannen
Josyne Luycx liet zich heel de tijd bijstaan door een procureur en wist zowel de tortuur als de brandstapel te ontlopen. Maar wat vooral opvalt is de steun van haar echtgenoot Adriaen Schaepmeesters. De echtgenoten van de andere vrouwen speelden een zeer passieve rol in het gebeuren. Ze lagen dronken te slapen in bed terwijl hun vrouw naast hen gemeenschap had met de duivel, zonder dat ze daar iets van merkten, en nergens blijkt dat ze stappen ondernamen om hun vrouw te verdedigen. Josyne's echtgenoot Adriaen echter nam onmiddellijk een rechtsgeleerde aan om haar te verdedigen, zocht in Laarne zelf getuigen ten ontlaste (zelfs de pastoor getuigde ten gunste van Josyne) en was bereid de proceskosten te betalen.

Wat uit de heksenprocessen, ook de Laarnse, duidelijk blijkt, is dat de heksenwaan in alle lagen van de bevolking zeer sterk was doorgedrongen. Zowel hoog als laag geloofde in de realiteit van de hekserij, zelfs de procureurs die de beschuldigden moesten verdedigen.

tekst : Emiel Fack

Bronnen

  • De Potter - Broeckaert: Geschiedenis van de gemeenten van Oost-Vlaanderen - Laarne
  • Christine Van Damme-Lostrie: Te Laarne op het Zand zijn de heksen verbrand (1981)
  • Fernand Vanhemelryck: Het gevecht met de duivel - Uitgave Davidsfonds (1999)
  • Jos Monballyu: Heksenwaan en heksenvervolgingen in het westen
  • Jos Monballyu: Heksenprocessen te Laarne in 1607-1608: een samenspel van "krachten van onderen" en "krachten van boven"
  • Syllabus lezingen Universiteit Vrije Tijd Davidsfonds (1999)
  • Johan R.J. De Wilde: Het faict van tooverie in Laarne - Castellum (december 2001)
  • Jos Monballyu: Heksenprocessen te Laarne 1607-1608 - (30/1/2002) - Internet

Tradities

De Potter en Broekaert schreven in hun 'Geschiedenis van de Gemeenten van de Provincie Oost-Vlaanderen' (1889) dat Laarne een van de gemeenten van Vlaanderen is die het meest "toovereers en tooveressen" heeft opgeleverd. Zij schatten dat er rond 1600 minstens twaalf zijn veroordeeld en levend verbrand. Zij steunden zich daarvoor op " een bundel daaromtrent gevoerde rechtsgedingen, voortkomende van het archief der voormalige vierschaar dezer gemeente". Verder citeerden zij gedeelten uit de bundels van Janne Callens, Passcheyne Neyts en Josyne Celis. "Thans nog wijst men te Laarne de plaats aan, namelijk op 't Zand, waar de tooveressen verbrand werden ("Te Laarne op 't Zand, zijn de tooveressen verbrand", spreekwoord ons in den tijd medegedeeld door Dr. Snellaert) gelijk men ten kasteele nog de kerkers ziet, waar de misdadigers van alle slag werden opgesloten", besluiten zij.

Zes bundels van Laarnse heksenprocessen werden in 1979 door Christine Lostrie teruggevonden in het Rijksarchief te Gent. Als er twaalf veroordeeld zijn, zoals De Potter en Broekaert beweren, dan is daar tot nu toe geen bewijs van gevonden. In 1981 publiceerde Christine Lostrie hierover een voorlopige studie in het tijdschrift Volkskunde en in Humo verscheen een artikel over dit onderwerp. Dat ging in Laarne niet onopgemerkt voorbij en in 1983 brachten de Amateur Wijnmakers tijdens hun feest op het kasteel een reconstructie van het heksenproces van Janne Callens. Bij deze gelegenheid verscheen een brochure over "Het bewogen leven en de wrede dood van Janneke Callens, toverheks", van de hand van Christine Lostrie.

Het succes van deze reconstructie was zo groot dat Christine Lostrie en haar echtgenoot Dirk Van Damme samen met Wim De Craene en Chris De Voldere en echtgenote Yvette Van De Velde, de vzw Mandragora oprichtten en een veel grootser opgezet 'heksenfeest' organiseerden, met een historische stoet van het dorp naar het kasteel en op de erekoer van het kasteel een veel omvangrijkere reconstructie van ditmaal twee heksenprocessen, en natuurlijk ook een (dubbele) heksenverbranding. Dat alles met de medewerking van verschillende Laarnse en Kalkense verenigingen. Het werd een reusachtig succes, en in 1985 trok de heksenstoet met evenveel succes voor de tweede keer door het dorp, terwijl ook een historische markt in de kasteeldreef en het dorp veel volk lokte.

In september 1989 kon men in het kasteel van Laarne de tentoonstelling 'Heksen in de Zuidelijke Nederlanden (16 de -17 de eeuw)' bezoeken. Deze tentoonstelling, die eerder dit jaar in het Algemeen Rijksarchief te Brussel werd gehouden, werd de bezoeker geconfronteerd met de werken van de rechtsgeleerden en heksenvervolgers en met de gruwelijke praktijken van de vervolging, maar de Laarnse heksenprocessen kwamen er niet specifiek aan bod.

Vijf jaar later, in 1990, verrezen de Laarnse heksen terug uit hun graf, toen het openluchtspel 'De Heksen van Laarne' werd opgevoerd op de erekoer van het kasteel, met de voorkant van het kasteel als groots decor. Het spel werd geschreven door Gaston Van der Gucht en Frank Van Laecke voerde de regie. Het was geen historische reconstructie maar een geromantiseerde versie, waarin het hoofdthema de gewetensnood was van de Laarnse pastoor Jan Schatteman naar aanleiding van de heksenprocessen.

In september 2000 werd op initiatief van Rudy De Buck in Taverne De Wastobbe de vereniging "De Tobbedragers" opgericht, met het doel een Laarnse reus te maken. Het werd een reuzin, een heks waarvoor de Tobbedragers de naam Marie Spreudel verzonnen. Tijdens de Sinksenkermis van 2001 werd Marie aan het publiek voorgesteld.

Ondertussen hadden ook de onderzoekers niet stilgezeten. Johan De Wilde vond in het rijksarchief verschillende nieuwe archiefstukken, die tot nieuwe inzichten in de hele problematiek leidden. Zijn opzoekingen resulteerden in een uitgebreide studie, die onder de titel "Het faict van tooverie in Laarne (1607-1608): enkele feiten en bedenkingen", in 2001 gepubliceerd werd in het nummer 4 van "Castellum", het driemaandelijks tijdschrift van de Vereniging voor lokale geschiedenis van Kalken en Laarne. Tijdens zijn opzoekingen in het rijksarchief ontmoette Johan De Wilde er professor Montballyu, een van de belangrijkste experten op het gebied van de hekserij in Vlaanderen, die met hetzelfde onderzoek bezig was. Zijn studie verscheen in 2002 onder de titel: "Heksenprocessen te Laarne 1607-1608 - Een samenspel van "krachten van onderen" en "krachten van boven".

En in 2007 is het de 400ste verjaardag van de Laarnse heksenprocessen ... Om deze gebeurtenis te herdenken werd een werkgroep opgericht, die deze uitzonderlijke verjaring niet ongemerkt zal laten voorbijgaan. Op 13 februari 2004 werd een ‘Heksengilde’ voorgesteld, met het doel de traditie in Laarne blijvend levend te houden, o.a. door samen met de middenstanders van Laarne en Kalken typische streekgerechten te ontwikkelen en promoten. Diezelfde avond gaf Johan De Wilde voor een zeer talrijk opgekomen publiek een uiteenzetting over de sociale en politieke omstandigheden waarin de processen doorgingen.

Als aanloop naar de herdenking in 2007 brachten verschillende toneelverenigingen en dichtersgroep een aangepast repertoire. In 2006 en 2007 werd een  'Heksenkrant' uitgegeven. In Kalken is er nu het Kruidenpad en in Laarne het Heksenpad. Een aantal handelaars maken ambachtelijke heksenproducten. Het hoofdgebeuren van de herdenking was een spektakel rond het kasteel van Laarne in augustus 2007. Rudy De Vos stond in voor de productie en de regie. In de Kasteeldreef was een oud-Vlaamse markt opgebouwd met allerlei activiteiten.

Laatst gewijzigd op: 30/01/14